|
|
of keer terug naar de smallebandIndex |
|
INTRODUKTIE
Waarom ik ben begonnen met schrijven, waarom ik schreef, waarom ik heb geschreven.
Denken voelen weten
Waarom woorden, letters, zin maken?
Definiëren, comuniceren, overbrengen
Waarom we leven?
De onmogelijke vraag.
Inderdaad, onoplosbaar.
We hebben toch een antwoord.
Hoe?
Je zou het antwoord waarschijnlijk wel weten, indien ik je zei dat binnen het jaar de mens verdwijnt, jij verdwijnt.
Vanuit die situatie, zou je naar je of onze hele geschiedenis kijken en je zou er wel een conclusie aan kunnen vasthangen, die je bevalt.
Maar verdwijnt de mens?
Verdwijn jij?
De keuze, lijkt me , ligt bij jou.
Simpel toch.
Genius.
IK, wees een genie als een ander, niet vals
maar droef
en ambetanter.
Lees me,
proef me voor,
bekijk me.
Doorzichtig en
Lichtklaar, gestuwd
maar
mijn mond
mijn lijk
spuwt.
STRONT EN GEZEIK.
IK.
Ideologie van een idioot.
Ik hoop te lopen In de voetstappen van de groten.
Hi!
Do you know the word high, do you know the meaning
do you understand the feeling? If not, I’ll teach you.
~~Surf on a high tide mood~~
~A dream~
without
selfcompassion
-(so near)-
Arise trom burning ashes
brought up with a
gray,
morning
~~flood~~
Cynic and sensation,
controlled,
in a little
light.
It rises your hope,
for
more,
caring
It Is ...
~~do you want? ~~
Scared and shy
to leave the dark,
ashamed
screaming for the light.
Shall I ever
see
soul or shadow
shall I
seal
above or beneath
~~A Sky ~~
of
something
more.
~~~~~~~~~~GES M OOR D ~~~~~~~~~~
No resistance,
rest no rumours,
LET I STAY AND FACE THE TORCH !
left
or
leaving
I am a caring
- creature –
wlth a sword between my lips and no grip on my desire.
~~LEE F ~~
"founded left”
Hoe ik van hen hou.
Snel slapen.
Om mijn meisjes te monden.
Met mijn lippen luister ik stil
naar hun
kreetjes
en hun
scheetjes.
Hoe Ik van hen hou.
Hoe Ik van hen hou.
Tof liegen.
Om hen zachtjes te wangen.
Mijn lijf tegen
hun dij
hun lach.
Hoe Ik van hen hou.
Hoe Ik van hen hou.
En hoe
Ik hen vergeet.
zij
(zij)
Heelt de aarde, slaapt vast
Onder zware last, uitgespeelt
Nageaapt in woord
Droom vermoord met beeld
Eerst vastgeklonken met malse klanken
Reël beheerst en gedwongen
Door dan vals te zingen?
Man op één maan
Ach, staan op rug of gevallen in een kluwen
Achter schaduw verstaan? Of
Liever geen smalle brug?
Passé cliché
Ik pik
JIJ geil
Niet en zomaar een griet
100X
Als zacht en lief en zorgzaam.
Als zacht en lief en zorgzaam.
A Losers Fantasy
IK,
ben de sterrezaaier
die je noemt, en bepaalt
die jij niet kan paaien
die je stemt,
en bespeelt als een mug.
IK
bezorg je roem en laat je stralen
In mijn hand';
IK,
ben de spelbepaler
die je zoent, en verhaalt
die je tart, en verkracht
die je afremt,
en keelt als een zeug.
Ik
zet je in en kleed je uit
In m’n hand.
Praat woord keel, stank hem dope lied
oog spreek roep kus smacht leer bel
open trouw blijf kans.
Ik,
was de sterrezaaier
die het spel bepaalde
IK,
ben de gebochelde knecht
die het diepe
zwart
toelacht.
Weer eenrichtingsverkeer
Als je nu eens een citroen was
dan kon ik je uitknijpen
en een zure zoen grijpen.
Als je nu eens op een peer leek
dan kon ik eens iets anders zijn
iets, minder klein.
Maar ik ben al
Lach
als een kind
als jij me wenst
tijdens
het bellen te vertellen over de dellen
in je hersencellen die je zou willen vellen
na rellen met felle emoties en
hoe,
je
steeds
verliest.
En als je woorden me zachtjes verder vermoorden,
gluur ik in de microfoon van de hoorn
en
geloof
in je
puurheid.
En, ach. Was je maar een citroen.
En, ach. Was je maar een peer,
dan moest ik je niet meer.
Terwijl
Terwijl we zeiden dat
de tijd bij einde was,
toen een zoen meer had
Ik van haar hield,
om lief te gaan
dan wat me had bezield
door te zwijgen en te kijken
naar eigen soort en ander ras,
om lijf en kemnis te verrijken,
naar een vaal gelaat van haat
en zonder stil te staan.
Was en is 't te laat.
LAF
“De dag mag niet weg," zegt mens" want het
zwart zegt niets te zijn."
Maar als zwart niets is, kàn de dag niet weg.
Toch raakt het licht meer en meer op.
Dus mag of niet, de dag wordt meer en meer,
klein
En nu is dit kus van mens naar vlucht slecht?
En nu smaakt het beeld naar stop?
Maar de stop is het niets en niets mag hier niet zijn.
"Wie stopt is laf," zegt mens,"want weg van de dag is
slecht.”
"Stop wie laf is weg, maar stop hem niet ten top."
"Waarom ?"
"Omdat “
Wie zo mooi ten top is, die weet en is niet klein.
Die zucht en weet meer en meer over weg
Weet
die nooit weg mag zijn en dag wil zien is laf,
dag is laf
mens is laf
de lach is laf
die leeft, die niet mag, kan, durft
naar dood
is laf
Ik
ben niets in de dag,
Ik
vlucht in lach en kan en mag niet,
maar toch weet en vraag niet mens te zijn
maar toch weet en vraag
stop.
Een licht
Een licht
dat
nooit
meer
schijnt
omdat de pijn te mooi lijkt.
De onverschilligheid,
gevlogen als een geschenk,
Deze kil belogen wereld zal ik niet herdenken.
Dat wat brengt een volgende dag morgen?
Dat wat zal de bol op z'n sokkel houden?
Een traan?
Alléén een traan?
alleen
misschien
tranen,
die we nooit zien en
die ons niet drijvend houden of
wouden van woorden,
die ik niet zal schrijven.
Ach,
Spijt heeft geen zin
Breng me lijnen van genot en botte strepen van scherpe scharen
die m’n min
uiteensplijten
tot een lach.
Ten einde
gelegen lang zij
bij gezang hellevegen
Plat fa rug
terug laf bloedspat.
Zoemend lichten buik
ruik dicht ver bloemend
Pijn droom haar
maar moord dood zijn.
Dood zijn.
Leven maar doch
toch raar kleven
Aan zijden smaad
draad lijden gedaan.
Gedaan.
Spijt dood liefde
griefde door kwijt
Weg dag open
hopen mag nooit.
Nooit.
Dood mag nooit, maar moord door liefde
bij laf,spijt, smaad, bloedspat, droom, raar
Hopen mag nooit.
Doodgeacht
De doden
De doodgeachten
Waarheen? Kom je terug?
Ben je weg? Ben je alleen?
Wat mogen we nog verwachten?
Het is niet, tegen beter weten in.
Het draagt als een keten.
Het smaakt als onzin.
Het is niet.
Maar ik geloof van wel, ik dool erdoor
en voorspel ook eens, niet te zijn
Ik, als dode
Ik, als doodgeachte
Ik, ik kom ook terug, bij jou.
Ik, ik kom, samen dan, terug bij jou.
M’n lief, als ik ooit dood ben, zit ik op je bed.
M’n lief, als ik ooit dood ben, kom ik op je letten.
en ik zal altijd lachen
en je troosten als je huilt
en nooit klagen of je pruilen
Ik zal naast je zitten en je haren strelen
met een zucht
Ik geef je een kus.
Ik zal niet vitten als je hele oranje kleren
hebt gekocht.
Ik geef je wat je maar wil.
En ’s avonds sluit ik m’n ogen
als je je uitkleedt.
en ik fluister tegen je.
En ik neem je zorgen over hen die
tegen je logen weg, tot morgen.
en ik beloof je
dat je niet meer bedrogen zal worden
en ik sluit je oogleden.
En als je slaapt, ga ik naar de zetel en zit
en praat met hen over jou.
En ze maken er me attent op dat
je kou hebt
en ik omklem de deken die over je ligt.
Ik dank hen en ze laten je alleen
met mij.
En de lach op je gezicht is alleen
voor mij.
Plots beweeg je je wimpers op lome wijze en kijkt
naar mij.
Je vraagt om bij je te komen
bij jou.
En het simpelste idee komt in me op
als ik naast je lig te luisteren naar
je stille adem die me hard bewijst
dat jij nog doorleeft.
En het kindelijkste cliché vormt en raast,
niet te zuiver, maar welluidend, in je oor.
Mijn hart dat geen klop meer heeft.
Drietschapsvervriend
Ik zou je willen troosten, zoals vroeger
Ik zou je willen helpen, zoals toen
Ik zou de wonden willen stelpen en proosten
op ònze weegschaal, als we konden.
Ik zou terug mijn hart aan jou willen geven,
zoàls vroeger
en de smart weer kunnen delen,
als toen
Ik zou willen stoppen met leven
als je het me vroeg
Maar jij hebt wel altiojd ergens een zoen te geven,
zoals nu.
Jij kan wel altijd ergens heengaan,
zoals daar.
Maar,
als je straks voor mij kom te staan,
zoals misschien vandaag
vraag me dan niet nog open te maken
want
ik ben er teveel en jij te weinig.
M’n vriend
Je kan spelen, je mag je amuseren.
Je kan leven, je mag je vervelen.
Je mag luien en dansen.
Je mag tranen en zuipen.
Maar sluit je ogen niet voor mij.
Ga niet naar buiten zonder een dag
Zelfs moest je mogen
stap me dan niet voorbij.
Sterven na de zon
Ik zal niet doodgaan
Ik wil blijven doorgaan
Als ronde stopt.
Ik blijf bestaan
niet lach , niet traan
Als donker volgt
Ik zal sterven na de zon.
Traan
Alles mag vergeten,
vergeten tijden, gevlucht
zuchtend om het geloof
Alles wat we weten
waarom we weten, kust
het uur dat doodt
het hart van geluk
Traan me niet alleen.
(vrij naar Ne me quitte pas, J.Brel)
Lach
Ik zal niet meer huilen,
ik zal niet meer praten
ik verschuil me daar
Jij in m’n oog
dansend en stralend.
Jij die ik hoor
zingend in een lach.
Het hoofd van pijn.
Lach me niet alleen.
(vrij naar Ne me quitte pas, J.Brel)
Nooit
Nooit , Nergens
iets speciaals.
Cruciale dingen bestaan niet.
Dan
zullen we liederen zingen
en zijn kinderen kussen.
Maar
Nooit , Nergens
iets speciaals.
Geschiedenis is.
Toen zagen we
en zoenden beklag.
Daar : Op de bron van nergens,
grens van oneindigheid
Wat perfectie?
In de gedachte van logisch
chronisch zien, altijd.
Wat emotie?
Zien : het weten
-(ik denk te weten - weet te denken)
“in eer en geweten”
(buiging)
slotzin-
zonder zin.
Verveling, geweven door tijd.
Mens-zijn.
De dingen veranderen weer
Nu zullen we kijken/begrijpen
en binnen anders wenen.
Zonder tijd , huilen
om niet te kunnen
weten
(ìk denk te weten
Ìk weet te denken)
Bijzonderheid : - slecht
- buiten in niet kunnen
- bestaat slechts in de gedachte
weggelachen door waarheid en recht.
( ik weet daarom verdien ik)
Het is nu
zeker.
Zeker nu niet.
Wirwar onzin verwarring verzinsel
Het is nu
niet.
Niet is nu.
Wirwar onzin verwarring verzinsel
Bijzonderheid : - slecht
-besluiten in niet zullen
-niet-wezen
( ik besta niet daarom besta ik niet)
Het is nu
geen.
Geen, enkel, begrip.
Wirwar onzin verwarring verzinsels
Het is nu
wel.
Wel enkel pijn.
Wirwar onzin verwarring verzinsels.
Over liefde, tijd en geluk.
Het is verkeerd,
Zeef je Grieven niet,
want het zijn zij die zullen,
als het zijn na lang vernietigd is
en even Gruwel en Schaduw
verder leeft,
de liefde,
krijsend, krassend , kinderangst
vergeven,
met het vullen van Tijd en Duur
tot Duur en Tijd
de Vonk, de Vlinder en de Val
barsten laat in kristal
splinterglas
wiens scherp en snee
de drup drup Pijn
in bloed
in hart
in hand
gedwee ontmoet
en het zijn weer hercreëerd.
Vertel me eens
een reden, tot
ademhalen en leven
die niet is geliefd
noch gekust
door gelogen
gewild
geluk
Als en dan want is geluk
slechts scherp en snee
en lach en lief,
dan maant het zien van zon en lucht
slechts aan tot verdergaan naar
Als en dan want is geluk
slechts slapengaan
voor kras en angst,
dan klaagt een lied
gezang te zien
en plot te vormen
verder naar
Vertel me eens
een reden, tot
ademhalen en leven
die niet is geliefd
noch gekust
door niets.
17
Een, twee, drie
Ze poets reeds haar tanden
vier, vijf, zes
Ze rijdt zonder handen
zeven, acht
ze speelt met de pop
negen, tien
eet al haar boterhammetjes op
elf, twaalf, dertien
Die jongen is niet om aan te zien
veertien, vijftien, zestien.
Het huis uit, de tuin door, zijn auto in
Meisjes van zeventien.
Zwijg, stil
Zwijgend ben ik ik
wat op me ligt
gezegd
Evengoed ben ik jij
die me zegt stil te zijn
"Ik heb een kip
en een schaap
De kip kakelt angstaanjagend.
Het schaap blaat ingehouden, stil.
En 's avonds als het kil is
en een blijde schijf aanmanend schijnt,
zouden beiden mooi dood willen zijn."
Aan mijn kip.
Aan mijn schaap.
Hij
Hij is verbaasd, ontredderd,
betraand.
Hij huilt.
Gisteren was alles
nog alles.
Gisteren was ik nog.
Gisteren was nu nog
maar morgen.
Hij had nog kunnen lachen, praten.
Hij deed niets.
Als hij naar mijn kamer gaat,
schrikt hij van de stilte.
Hij schrikt van de vis
en de jas op de haak.
Hij bemerkt het daglicht
en hoort de muizen.
Op mijn bureau ligt mijn dag
uitgestalt.
Op mijn bureau ligt mijn ik.
Hij schrikt bij ik,
verbaasd.
Hij leest.
Als
Ach, lach dan maar,
liefst met een herinnering,
snikken is er nu niet bij.
Irritant,hoogmoedig en raar
koos men voor mij, als omschrijving.
Hij schrikt bij ik,
ontredderd.
Hij leest.
Dus draag nu geen zwart
onder je kleur, en
ontkracht
de miskeuring niet.
Hij schrikt bij ik,
betraand.
Hij huilt.
Bedoel je, dat je traant
en hoopt op de voeling van m'n hand?
Neen, ik loop
alleen.
I.K.
Hij doet niets.
Hij lacht niet
met de grappenmaker op de televisie.
Hoofdstuk 1 : Ik word.
Ik word wakker,
liggend in mijn belegen bed,
kijkend naar de open kast
met wijd gespreide ogen.
Het doosje!
Ik draai me zuchtend om naar het nachtkastje.
En neem het witte doosje in mijn hand.
Langzaam schud ik het heen en weer.
De inhoud kan niet vluchten,
het zit gevangen in mìjn doosje.
Ik ga zitten,
rustend in mijn belegen bed,
kijkend door het gesloten raam,
met dichtgeknepen ogen.
T' is tijd!
Ik zet me angstig krakend recht.
En neem mijn broek en hemd.
Langzaam kleed ik me aan.
Ik moet eens naar buiten,
ik voel me gevangen in dit doosje.
Rollend door rijzige eilanden naast tapdansende engelen.
Vroeger speelde ik in de tuin die ik door het raam zie.
Vallend de ezel laten niet te eten, niet te eten.
Vroeger lachte ik, vaak.
Mijn broek is aan,
mijn gezicht wordt nog "uit" geweerspiegeld.
Hoe krijg ik mijn ogen deftig open?
Als mijn hemd ook aan is,
is mijn hoofd nog steeds een aquarium.
Hoe krijg je opgedroogde tranen weg?
"Het is tijd om op te staan."
"Het is tijd om naar huis te gaan."
"Tanden poetsen!"
"voeten, opheffen!"
Ik loop op naakte onbeschermde voeten door het huis.
De keuken.
Het eten.
" Alles opeten!"
"De restjes niet vergeten!"
Ik loop op onbeschermde voeten door het huis.
De badkamer.
Het wassen.
"Met dromen kan je niets kopen."
Stop.
Ik was me niet.
Zij(Terwijl Hij meeleest)
Zij staat op en lacht.
Zij loopt rond en geniet.
Zij voelt zich goed,
want ze is gelukkig.
Als ik de morgen boven de nacht
verkies;
niet zachtjes huil bij het verlies
van de avondzorgen.
Zij denkt niet aan
later, nu ,vroeger ,nu ,soms ,nu , later ,nu
noch aan nu.
Als ik nuchter naar ouder worden
ga;
niet meer vlucht in een reeks
kouder geworden dagen.
Zij leest wel
de krant, het weekblad en "Der spiegel"
zonder vertalingen,
puur intuïtief.
Elke dag zielgoed rond komen
zonder te janken;
Zij denkt nu aan het artikel over een herderin.
Ja, dat zag zij ook wel zitten,
Da's wat anders dan boterhammen smeren.
Onafhankelijk van een kus die niets doet.
Dan...
Zij poets haar tanden,
hangt de jas goed,
gaat op weg
en slaat de deur toe.
Hoofdstuk 2 : Ik neem.
Ik neem mijn mooie jas van de haak,
strijk de plooien glad
en trek ze aan.
Het is dag.
De vis zingt belletjes
als ik hem nog snel niet voeder.
Hij lijkt eenzaam,
maar is stabiel.
Ik neem mijn zak uit de kast,
steek mijn kussen erin
en hang hem rond mezelf.
Het is dag.
De deur kraakt muizen
als ik naar buiten ga.
Ze schijnen blij,
maar zijn ongelukkig.
Boterhammen, niet tranen, niet tuimelen.
Vroeger ging ik al lopend naar school.
Plagend de eenzamen na apen.
Vroeger speelde ik, vaak.
De tijd drijft me voort,
ik tel hem in boeken
als ik
verder stap
De voorbijgangers schijnen me vaal,
ik sorteer hen in stilstaande groepen,
terwijl ik
verder stap.
Voorzichtig gedrag, goed de eenzaamheid drogen!
Tot toen ik volwassen werd.
Doorzichtig gelag, geen niemand dragen.
Tot toen ik groot werd.
Ik verander terwijl ik verder ga
naar mensen
die naast me leven,
vaak gekrenkt door wat ze deden.
Ik verander terwijl ik verder ga
naar mezelf
in mijn doosje
omdat ik denk.
Interlude : Grappen op 18.
Ik keek eens naar een stand-up comedian.
Hij stond op en begon zijn grap.
"I ve been thinking about death."
Ik keek eens naar een goeroe op de televisie.
Hij vertelde dat hij god's herder was.
"This girl has braved dreaded storms and the
unknown to save your worthless hides!"
Na afloop van beide gedachten,
verscheen een niet-dode.
Hij lachte loom,
tijdens het ontbloten van zijn tanden.
"So, what happened to the joys of life, then?
Not listening to the birds sing, or watching the sun come up?
Can't you kiss a girl and know she loves you anymore?
Of course not.
That's always the problem with you people.
All these aspirations to greatness, to a world of peace and perfect
beauty...
You try so hard to deny yourselves, don't you?
Hypocrites.
You're worse than animals.
Your instincts revolve around fear.
You hate, you love,
you cause centuries of agony, and all because
your scared.
Your fear, human, is a palpable thing.
You wear it like a second skin.
I should know i killed the first man on earth."
"I've been thinking about death."
Hoofdstuk 4 Ik praat.
Ik praat de gedachten aaneen
tegen de mensen rondom me.
Ze luisteren vermoeid.
Als een van hen een grap begint
over eeuwige rust en Sint-Pieter,
haak ik af.
Ik smaak de zuchten van de wind opeens.
Regen valt op de mensen rondom me.
Hun beeld wordt uitgeroeid
door de nattigheid van een nieuwe zin
over eeuwige rust
tot ik weer slaap.
Andere zij
Zij
Zij leest nu.
Zij Leest nu wat ze gisteren schreef.
Nu
Ik heb gisteren gehuild,
omdat ik, bang, was.
Niet meer,
bij jou schuilen.
Geen meer,
God verstoten.
Tranen schreden over de kloven
die jij, lang geleden
brak,
in m'n wang.
Wat zag het mooi
Het verstand was dood
En de minuut was de dag
En de dag vol vuur.
Nu;
De drang naar je lach
verzuurt het geween
Ik verdraag de bittere schrik
ten gedachte aan jou
m'n lief, m'n vriend.
Nu
Zachte minaar, eerstgeboren kind.
Nu
het woord omgetoverd wordt,
het gevoel pover herdacht
Nu
het verleden nog niet in het
verleden steekt,
breken takken
niet door de wind.
Stop.
Hoofdstuk 5 Ik droom
Ik droom van teloor gegane liefdes,
van warmtes en tederheid,
een geheel van zachtgetinte bloemetjes,
grote paars-blauwe orchideeen op groene stengels;
samen vormen ze een buitenzinnelijk gezang van engelekoren
het gezicht van eeuwige geliefdes komt naderbij,
en er wordt samen met hen en door hen een nieuwe realiteit ontdekt,
we herscheppen en de fantasie en de werkelijkheid
naar de patronen en koninkrijken die ons bevallen,
wandelend door tuinen van genoegen en inzicht;
wanneer we begrijpen wie we zijn wat we willen;;
het koesteren van de meest fantastische jeugddromen
in een wereld van bewustzijn gecreeeerd door herinneringen,
geproeft en opgeslorpt om nieuwe nostalgie aan te kweken;
het zuigen van de moederborst gemengd met een communiekleed terwijl
je dromerig dingen ontdekt in en buiten de klas:
de eerste altijd voorzichtige stappen op een samenhang met het fenomeen
"ander geslacht"; de kleine ontdekkingen van de verschillende
spelletjes door sporten, hobbies en gedanste levenskronkels;
de grote verdrieten de kleine pijntjes , de steeds op gematigde
vorm van groeien
in mezelf
buiten mezelf
op
onder
gekeerd naar een spiegel,
met achter je vele onbekende stippen die samen met kennis,
doorzicht en geschiedenis een schilderij vormen.
De kamerplant
De kamerplant stond
staat
en zal altijd staan
op de kast.
Het bemerkt niet de plooien in zijn huid,
noch de belletjes aan zijn stengel
die voorbodes zijn van de kamerplantkanker.
Hoofdstuk 6 Ik.
Ik word
wakker,
liggend in mijn belegen bed.
Ik draai me zuchtend om
en neem het witte doosje in mijn hand.
Vervolgens zet ik me angstig, krakend recht.
Hoe krijg ik mijn ogen ooit nog open,
hoe krijg je opgedroogde tranen weg.
Ik neem de mooie,koude kogels
uit het doosje
Ik neem de revolver
uit uit de kast.
Het is dag en ik schijn blij.
De tijd
drijft me voort
en ik verander
omdat ik denk.
Ik praat de gedachten
van mijn droom
in mijn hoofd aaneen.
"Lichtjes" ontgoocheld
door het afscheid
van mooie luchtkastelen.
"Met dromen kan je niets"
Negentien letters die voetstappen oproepen.
Zware laarzen die in het gelid stappen,
lopen, klinken , verdringen, onderdrukken,
schaden, vernietigen, verbranden, verkrachten
en uiteindelijk op de blinkende verschijning zelve
masturberen.
Indoctrinatie van kracht en realisme,
verdringen de ander kleuren op het schilderij.
Ik zucht, kus het witte doosje.
HET IS VAN MIJ, VAN MIJ.
Stop.
Het moment nadert.
De persoon komt naderbij.
Even, is er angst.
Even, toont de vent zich zij.
Maar wetend waarom,
en meer,
waarom niet,
komt de persoon verder naderbij.
Het tuinhek knarst.
De vrouw krijgt vorm.
Altijd, blijft de angst.
Altijd, is het even hij die komt.
Maar door toeval,
en meer,
zonder reden,
krijgt de vrouw altijd meer vorm.
Tot de schakelaar verdwijnt.
Tot de aanval volgt.
En als dan de schedel kraakt
door het ijzeren kind
en de aders tot explosie worden aangemaand;
En als dan de walging van de eenheid volgt
door het vleesgeworden kind
en de ketel tot overgave kolkt;
wordt het hoofd weer stil,
en besluit, geen hoofd meer te zijn.
Hoofdstuk 1 : geboren.
Hij wordt geboren en dadelijk verwarmt
door genegenheid.
Als hij verlegen, om wat hij hoort,
een luid boertje laat,
kijken zij ontroerd toe
"Ooooh
Wat een knap kind.
Ooooh.
Luister, het fluistert al een lied.
Wat een schattig gezicht.
Hoe lief."
Als hij verschrikt en hard begint te roepen
haasten zij zich en troosten hem goed.
"He , kleine man.
Is er iets?
Ben je bang?
Ach, heb geen angst.
Kijk eens, wat een verdriet."
Als hij vervolgens voorzichtig in slaap wordt gesust,
is hij blij.
En voor het eerst in zijn bestaan, droomt hij
over waar hij vandaan komt.
Hoofdstuk 2 : Getogen.
Hij is iets ouder als het water wordt vergoten.
Hij begrijpt de komende drukte niet.
Zij lopen driftig heen en weer.
Zij lijken om de een of andere reden
verschrikkelijk gestresseerd.
En elke keer zij bij hem langskomen
kijken ze hoopvol
op zijn nieuwe mandje neer.
"Schat, dat pakje staat hem allerbest.
Schat, kijk eens hoe lief hij lacht."
De rest van het gebeuren vond hij heel
speciaal.
't Was allemaal zo mooi en perfect.
En als hij dan 's avonds in zijn bedje ligt
is hij blij.
Hoofdstuk 3 : Betoverd.
Hij is iets ouder als hij het meisje ontmoet.
Hij merkt op dat ze wensen kan vervullen
net zoals een toverfee.
Het meisje neemt hem mee, weg van de mensen.
En hij voelt zich zo goed
als haar lippen zich rond zijn lippen sluiten.
"De wereld is van jou
In kleine dingen, in grote dingen.
De wereld is van jou
Elke dag
mag je hebben
elke nacht
zal je vergezellen."
Hij is verrukt.
Hij denkt te weten, weet te houden ,
houdt te geven, geeft aan haar
dé kus.
Hij wordt groter.
Hij denkt te voelen, voelt de vormen,
vormt de delen, deelt met haar
dé wereld.
"De wereld is van jou"
Hoofdstuk 4 : Belogen
Hij is weer wat ouder,
als hij na de verleiding
valt.
"Hé , kleine , meid , Ach
eenzaam was ze
leerzaam en koel
pas op; een bord met stop.
Met Ik? Ja!
Nee, Utopie."
Hij voelt zich heel wat ouder
als hij pijn voelt.
Hij ziet zich heel wat minder
als het gekraak z'n hoofd beheerst.
"(De vrouwe)
Heelt de aarde, slaapt
Onder zware last uitgespeeld
Nageaapt in woord
Droom vermoord met beeld
Eerst vastgeklonken met malse klanken
Reëel beheerst en gedwongen
Door dan vals te zingen? "
Hij stelt zich de extensie
ten vraag.
En verplaatst de reflexie
naar haar.
"Man op één maan
Ach, staan op de rug of gevallen in een kluw
Achter schaduw verstaan? of
Liever geen smalle loopbrug? "
En wanneer hij alleen is
"Passé cliché
Ik Pik
Jij Geil
Niet en gewoon zomaar een griet.
dringen de gedachten door.
Alleen
denkt hij over de gegeven wereld.
Alleen
vraagt hij zich dingen af.
En terwijl hij droomt van een kus
voelt hij zich
ik.
"Want ik weet
verdriet
Want ik ween
geniepig
Want ik weet
kilte
Want ik ween
stilte."
Alleen,
weet hij niet blij te zijn.
Hoofdstuk 5 : Getrouwd.
Na ouder te worden, zoekt hij naar rust.
Als hij zij ontmoet,
vindt hij
wat hij dacht te zoeken.
In stabiliteit, rust hij
en breidt hem uit.
Hij voelt zich gesterkt
en klaagt niet.
"De wind waait zonder denken,
De wind aait zachtjes m'n huid."
Een enkele vraag wordt afgewimpeld
door de nieuwe dag, die hij zelf
geschilderd heeft.
“De kleuren strelen mijn haar,
ze dansen en zingen.
Hij draagt simpele schoenen,
en eens het mag, loopt hij
verder, zonder.
“De geuren plaatsen m’n zicht
ze dansen en zingen voor mij.”
Het gebouw wordt versterkt
en hij en zij denken samen
naar een nieuw ikje toe.
Zij zijn ontroerd.
hoofdstuk 6 : Herbouwd.
Verbaasd is hij als een doorn
z'n voet binnendringt
en zijn lichaam ineenstort.
Ontredderd blijft hij achter
als hij voelt hoe vier hoofdstukken
werden afgesloten.
Betraand schrikt hij voor een tweede keer.
Huilend hoort hij weer het gekraak.
Hij doet niets en lacht niet.
"Leeg
Heel erg leeg.
geen muziek.
Geen geuren
Geen kleuren
Geen niet.
Veel
Heel veel ik
geproefd
en niet gesmaakt.
Dagen geleefd
maar niet
verstaan.
Heel veel leeg."
Hij staat op zet de schakelaar aan.
Hij gaat naar buiten, in de tuin.
Hij zit.
Hij wacht.
Het moment nadert.
ZIJ
De deur gaat open.
Ergens verkoopt een kerel ijscream.
Het ijs is zijn last, waar hij niet van weg loopt.
De zon schijnt.
De kale jongen met de mooie, rode ballon
lijkt gepast te betalen.
De ballon zwijgt.
Tegelijkertijd haast de dame
met de bontjas zich de boetiek binnen,
ruikt aan talrijke parfums,
koopt de duurste en gaat rap
naar buiten.
Daar botst ze tegen een slordig ogend meisje
en zonder nog een woord,
stapt ze voort.
Ze heeft misschien nog maar een uur
om "iets" te doen.
En, ook nu, ligt ergens een moeder
T.V. te kijken.
En, ook nu, staat er ooit een vader
te strijken.
Ze hebben misschien nog maar een uur
om "iets" te doen.
Een piloot laat
luid zijn tuig warm lopen.
Kalm stapt een kapper
door het vuil in het park.
Ook, zij denken niet aan nu
Ook zij denken niet aan hier
"misschien" hebben ook zij ...
Ineens wordt er overal
gezwegen.
H I
16:00
School is gedaan.
At last
denkt Bart
Dom gezaag; Altijd te kort of te grof. Ben verdomme doodmoe. Vijf dagen in de week les.
Klotemaatschappij. Pff, effe 't stad in, iets drinken. T'is hier snikheet.
En al die mensen... Misschien toch beter naar huis?
"Hey, Bart! Pintje pakken?"
"Cristian! Alles bon?"
"As bon als won ton ton met beautiful B in silofaan papier maar kan zijn."
"Straks won ton ton in de puist op je kop, ja.
And, my dear friend where
guids thee path ?"
"To the lokal pup, shining knight. If your highness likes to
compaign me?
"Moge u mij vergeven edele heer , doch denk ik niet dat ik ginds nog verschijnen kan
met zijne Nen-duvel-voor-mij-en-e-pintje-voor-mijn-vriendje. Het daglicht schijne mij klaar in de ogen en vertelle me dat het alcoholgehalte vermengd met de nodige chemicalieen reeds uw innerlijke zijn hebben doen schitteren."
"En waarom niet? 't Weekend leeft en springt bij de gedachte
van de strak geklede godinnen die mij vanavond opwachten..
Wake up, little one. De tijd is rijp om te leven, ondanks zijne jong geschetene nog slechts
oog heeft voor die pracht en praal van zijne jonkvrouwe en meer boven de aarde zweefd als een verliefde vlinder dan met zijne achtergelaten reisgezellen een drank te delen,bied ik, zijn nederige vriend en thans zijn knecht hem het lekkerste ijsje aan.
Wat denk je jonge knaap?
Kijk eens naar het mooie snoepje dat ome christian mee heeft voor JOU.
Kijk goed naar de tekening erop. Het prijskaartje van de kwaliteit
de rode ballon die jouw gedachten meeneemt op zijn reis door de lucht.
H II
16:25
Afriko Wacko en Eolien de drie meest gekke females van deze kant van de aarde.
" Ah ah, broekventje 3-0 voor het fantastische meiden team.
Da 's wat anders dan thuis voor de buis zitten rukken, hé.
Vooruit alvleesklier van mijn boezem, give it another shot."
"Ines, iedere keer als wij scoren, krijgen wij het punt, weet je wel."
"Dat zeggen ze dan. En als ik u vertel dat d chinezen met hun voeten naar boven footbal spelen? Wie wint er dan?"
"Ahah. Leve de chinezen."
"Dames, een toost! Op de chinezen!"
Waar blijven ze het vandaan halen. Ongelooflijk!
"hela meid. Toosten we niet mee vandaag."
"Het spijt me teergeliefde Eola buikdanseres van de mooiste woestijnen zonder toeschouwers, maar ik heb geen dorst."
"Buikdanseres van de ..
Aaah. Geweldig. Dames op de buikdanseres!"
"Let s move to the game. Your ball, weenies."
"Wat is er? Nog hoofdpijn?"
"'t Gaat wel. Een beetje moe."
"Ga je vanavond mee naar de fluorenz."
"Ik denk het niet. 'k kruip vandaag vroeg in mijn bed."
"O.K. Kom morgens eens langs anders. Kunnen we eens een wrouwentalk doen."
Morgen?
"Sorry, morgen kan ik niet."
"Zondag?"
Zondag?
"Misschien, ik bel wel.
Ik ga naar huis."
"O.K. tot zondag!"
Wacko, ooit teergeliefde bewaker van mijn geheimen.
Tot zondag.
Wat een hitte. En een drukte. En al die mensen.
Gejaagd lopen ze heen en weer ,achter elkaar om toch maar vooraan te raken.
Vooral niet achteruit kijken. Laat de fotoalbums maar dicht.
Want dichten doen we niet.
"Ah! Kijk uit!"
Mens toch, de parfum die je draagt belet je om je toekomst te zien.
H 3
18:30
Moe.
Eerst naar boven. Hop, zak bij de rest van de boeken.
Terug naar beneden. Moeder kijkt T.V.
Een van de dagen verandert ze nog eens in één van die feuilletons.
"Hallo, mam. Ik ben thuis."
"Het eten staat in de koelkast. Opwarmen op..."
"honderd dertig graden. Ik kweet het. Waar is Joeri?"
"Al weg. Vader komt pas laat thuis."
"Ik moet even bellen."
"Niet te lang blijven kwijlen."
"Nee mam."
Kwijl maar voort op de mooie mensen van je wereld.
"Shit. Wie heeft de draadloze foon gebruikt? De batterijen zijn plat."
Geen antwoord. Uiteraard. In de hall dan maar.
"Hallo meneer. Is Isa Thuis?"
"Dag , Bart. Nee ze is nog niet terug van 't school. Zal ik haar vertellen dat je hebt gebeld."
Shit Nog niet thuis.
"Neen. Kan u haar zeggen dat de papegaai nog niet zwijgt."
"Dat de ..? Tuurlijk."
"Goedenavond."
"Daag"
O.k. compu-tijd dan maar. Let's see.
Vengeance among of big world?
Wathever.
"Welcome to ..."
Jaja. Actie!
Zijn kamer is sober versiert.
Het kleine silhouet van een pop hangt schuin.
De lampen schijnen vaal licht.
De houten bureau ligt er vuil bij.
Shit.
WEER DOOD.
IV
19:09
En thuis.
" Driemaal hip hoera voor de mooiste prinses op de planeet."
"Dag, paps."
"En krijgt je lieve vader geen knuffel van zijn liefste dochter."
"Grapjas. Enige dochter.
Ik veronderstel dat één kusje er wel afkan."
"Is de jeugd tegenwoordig al zuinig op zijn kusjes."
Kus
"We eten binnen vijf minuutjes. Eerst je lievelingshemd strijken.
Want zoals altijd wil je dit wel aan doen straks."
"Je ben een engel."
Kus
"Is er nog telefoon geweest?"
"Constant sinds ik thuis ben. Je moeder haar advocaat heeft al twee
keer gebeld. Plus de boekhouder."
"En voor mij?"
"Laat me eens diep nadenken. Was er geen berichtje van een zekere jongeman?"
"Bart? Moet ik terugbellen?"
"Nee. Hij zei iets over papegaaien."
"Hij zwijgt nog altijd?"
"Hmm. Zoiets."
"Ik ga naar mijn kamer. En ik moet straks nog even weg."
"Niet te laat !"
HV
21:00
Negen uur. Ze is er nog niet.
Verdomme, christian altijd met zijn chemische snuisterijtjes.
Kwestie van de koppijn opnieuw weg te spoelen, zou hij zeggen.
Zijn hoofd zal er weer naar zijn maandag.
Maandag.
HVI
21:07
De dame is weer leuk te laat zal hij zeggen.
Was er maar een beetje meer tijd voor de dingen.
Hij is er al.
De donkerte in zijn ogen weerspiegel hem.
De droefheid die hem siert, wordt ijdel gedragen.
Ik heb je lief , donkere prins.
"He vreemdeling."
"He, prinses."
HVII
….
Oostelijke nacht kruipt dichterbij.
De westwaarts gedreven wolken, proberen als elke gedachte het licht nog ze bereiken.
De zon gloeit van trots en schoonheid. Ze roodt en geelt de willekeurige vormen in de lucht.
Diegene die het dichtst zweven, krijgen de felle schoonheden toegedaan, terwijl andere of dezelfde iets later , valer en meer melangolisch worden gekleedt.
Elk moment en elke zucht of gebaar of kus is een uniek gebeuren dat het hele moment omvat.
Als de duisternis langzaam veld wint worden de bewegingen trager en het gefluit van de lucht volgt het ritme waarin de omvang toeneemt in de Tijd.
Als de dag bijna helemaal vrdwenen is rolt een traan zijn zorgvuldig aangevoelde weg en krast littekens in haar lichte huid.
HVIII
…
Och, maar zachtjes zingen de overige lichtjes hun verhaal.
Ze voelen zich gestoort als een oude man, met de jonge knaap (zijn prins) achterop de kiezels onder zijn banden laat kraken. Hij neemt elke trap zorgvuldig en evenwichtig.
"Waarom gaan we niet wat sneller ,"vraagt de knaap."Straks is het helemaal donker."
"Als ik harder zou trappen, risten de steentjes onder de wielen weg en geraken we maar slipperig vooruit."
Als de man gewoon een andere baan had genomen kon hij zich ongestoord verplaatsen hoe hij wou.
Het is niet de nacht die te snel valt ,mijn lief. Het zijn zij die te snel willen gaan.
Ze kijken niet en voelen slechts zelden het genot dat de Tijd geeft als hij voorbij glijdt.
Ze worden opgegeten en afgelikt terwijl mijn tong pareltjes van speeksel achterlaat op de vlakte van je hals. Ze nodigen je uit om binnen te treden in mijn mooie ,kristallen toverbal.
Eens binnen zijn alleen jij en ik en jij en ik elkaars regenboog, avondzon of nachtemaan.
Er is geen plaats voor angst in je bol. De glazen wand kan breken en de scherven zouden ons kunnen openrijten, als ik binnentreedt.
Mijn bloed zou over je wonden sijpelen en zich vermengen met jouw levenssap.
Kijk naar de rookslierten die uit onze monden verdervloeien in de lucht.
Ze dansen samen een nieuw lied over oneindigheid.
Inderdaad. En meer.
Aye, my love, And more.
Laat mij je ik delen
jouw verleden vloeit als mijn heden.
Twee van de kleurrijkste wolken raken elkaar.
Daarwaar ze raken, schijnen lichte flitsen als geheel.
Ze spreken niet en zeggen veel.
Nacht en Tijd dralen rondom hen.
Tot.
HIX
00:05
Dag en tot dan.
Dan als een woord van hoop en weerzien.
Dag en tot dan,
ook aan jou mijn hart.
De nacht zal tranen laten over je afwezigheid.
Dan zal ik blijven en wordt dan nu.
Nee, lieve dichter van jouw tijd.
Ga nu nog verder en verf je verzen nog.
Want als nu dan geworden is,
wordt jij de kleur en ik het schilderij.
Piano.
Don't wake me up.
Gezang.
Waiting for the dawn
Waiting for the night
Waiting for the dawn
Waiting for the light
The day is too low
The day is too bright
Love me love me to the end.
This man pursues u a dagger in the sand
This man pursues u a dagger in the sand
yet he will never get unto holdon
yet he will never get unto holdon
Love me love me to the end
F all dawn by my side
dawn in my arms
F all dawn by my side
dawn in my arms
This night for ever no morning will come
This night for ever no morning will come
Love me love me to the
end.
HX
00:19
Gaan in eigen treden en met eigen stappen.
De lafheid van het verleden omgord.
Verder gaan, rondom.
Hij gaat naar huis.
Hij denkt en huilt.
Zij gaat naar huis
Zij denkt en huilt.
Beider tranen raken de grond.
Hij betreedt zichzelf
Hij zegt hallo tegen de dingen.
Zij betreedt zichzelf
Zij zegt hallo tegen de dingen.
Beiden luisteren naar zich, wie zingt.
Beiden schreeuwen in wanhoop hun lied.
Viool.
Melangolisch snijden.
Tot de mooiste pijn.
I'm going up and i'm going down
And under my feet, the water flows by
Lalalalalala
I'm acting like a romantic fool
In the storm and the city
city of dawn
In the city of secret love
I feel so I feel so lost in the city
I feel so I feel so cold inside
I feel so lost i feel so lost
without u
I feel to old
I feel to old
before my time.
And the color is red ,blue and white
Dance in the water
ooh so bright
Lalalalala
Though the city's mystery is back
I feel so I feel so lost in the city
I feel so I feel so cold inside
I feel so lost i feel so lost
without u
I feel to old
I feel to old
before my time.
Lalalalala
Hij kleurt zijn zijn rood.
Gekraak.
Kerkklokken.
A rainy day she 's alone in her room
Drowned by the pale light of the moon.
She's staring at the scarfs on her wrist.
Where do i come from and where will i go?
Is there anything on the other side?
She closes the curtain and turns off the light.
Scheermessen.
Schimmernde Rasierklinken
Flusteren ihr
Verlockende Dinge zu
Sie wispern
Sieh nur,
Wir schön wir funkelen !
Wir ritzen deine Haut
Ohne dass du etwas davon spürst
Wir lieben dich!
Komm mit uns!
And she feels the sound
Of the mighty church-bells
Ignore the deceiving razor-blades
They are slaves of the Evil One
Do u really think
your mission is done in this world?
You're so young
And there are many things you haven't seen yet.
Many expereances
You still have not made!
If u leave us now
You'll never come back
There's no return!
No return!
Hey little girl, do u believe in god?
Do u believe in the material world?
Do u believe in anything at all?
Do u believe in everlasting love?
Do u believe in the stars above?
Do u believe in anything at all?
Und das Wasser färbt sich rot.
HXI
08:30
Adem halend worden ze wakker.
Hij staat op en kleedt zich aan .
Het is negen uur dertig.
Hij maakt zijn zak en gaat naar beneden.
Zijn vader en moeder zitten aan het ontbijt.
Hij geeft haar een kus en zegt door te moeten gaan.
Als zijn vader vraag hoe laat hij thuis zal zijn, bekijkt hij de man.
Hij heeft hem nooit gekend.
Strak in zijn vaders helder blauwe ogen kijkend, zegt hij niet te weten.
Dag
Ook zij zit aan het ontbijt.
Haar vader spreekt zonnig de dag toe.
De zon schijnt daadwerkelijk.
Vader geeft haar een natte zoen en verdwijnt.
Ze kijkt rondom. Ze ziet de keukenrobot en de kras in de muur.
Ze gaat naar boven in haar kamer. Ze neemt de jas van de haak en sluit de deur achter zich.
Dag
HXII
09:54
Aan het vliegveld is veel volk.
Een man loopt te krijsen omdat zijn haartooi in de war geraakt.
Hoe krijgt hij dit ooit in orde?
Hand in hand en hart bij elkaar stappen ze hangar binnen.
"Bart en Isabel?"
Stilte.
"Ja."
"Stap in we vertrekken dadelijk."
Vertrekken.
Vliegen.
"Denk er aan , op een hoogte van duizend meter trek je open.
Als de eerste parachute niet werkt, trek je aan de noodparachute.
Breack a leg."
H 13
…
Nu
De stad , donker
Toch verlicht
De man zit in de kamer.
De tonen van geluiden die voorheen de stilte doorbroken, sterven uit.
Hij kijkt op.
Ik ga dood aan jou.
Er is altijd beter
Ik ben simpel
Ik ben een loper
Hardloper
Ik dans door de dag alvoor jij vermag dat ik slechts een loper ben.
De stad.
We zijn zo mooi daar in dat metrostation,
daar waar ik slechts 1 telefoontje hoef te
doen voor
niets.
Terug in de kamer.
Ja, niets naar ik vermag.
En toch, kijk
Ik lach
Dag na dag
Erdoorheen
Door de dag
Stap ik door de straten
Door het gejoel en gelag.
Ik kijk niet echt rond
Er is toch niemand
Ik ben alleen
Terug in de kamer
Ik ben alleen God
De Wereld, al wat het vermag
Al
Al wat eens geweest is
Al wat eens licht zienen zal
Al wat niet bestanen kan.
Ik ben Al.
Ik ben Alleen
Pesten mag
Als ik dan maar stappen zal,
dan zal maar langer banger staan.
Als het toch bedrogen kooit,
Voor dommer, laffer,
Komen kon,
Pest ik je dood.
Dood
Dood
Dood
En als jouw gezichtje, lichtje
Terug kussen lust
Durf ik
Niet
Ik ben Al
Ik ben Alleen
He ik zie (graag)
Ben blij dat j’er bent.
He, een zoentje
En vrij proeven dus.
Ik ben alleen maar bang
Weet je hoeveel het kosten kan
Weet je leef je denk je
Droogje
Het is niet mooi, m’n liefje
Mooi is het niet.
Er zijn doornen
En bliksems
En onkruid.
Er is verloren
Veel verdwijnen zijn
Vertrouwen , verdriet
Terug in de kamer
En face de vous
He, jij
Hou dit bij
Ik heb er geen meer
Ik wil er geen meer hebben
Geen meer , ik heb er geen meer zin in;
Geen meer
Dit is het ‘Lasste keer’
HOU HET BIJ , T’IS NU VAN JOU
En alsjeblief, vergis dit niet als niets
Wat het niet is.
Het is ik die nooit
bestanen wou.
Nu kus me
En voel de traan
Die vloeit
Omdat ik niet enkel mooi
MOOI
MOOI
Niet enkel
Mooi kan zijn
Het mooi dat komt uit mijn willen(Pijn)
De schoonheid in’t binnenst
Hier bij mij
rilt.
Ik
Rilt teder als een
wespenblad
dat jij in je handen had.
Ik wil niet meer van
je houden dan.
Het is gezegd
In dit.
Gooi dit weg.
Opgelegd door
Wet van me ns
Wens
Wens
Hopen dromen zal
UIT
T’ IS JUIST
De man kerft met z’n
Z’n vlees weg
Het mes ligt opp de grond.
Zonder vlees praat
hij voort.
Ik weet het niet meer
‘t is niet als voorheen
verdwenen
vergaan
Laat
de Haat
maar gaan.
Laat
De Haat
Maar bestaan